Chapter Text
Koning Joel van Mezalea stierf aan een gebroken hart.
Dat concludeerde hij zelf tenminste.
Hij was eerst woedend geweest, toen hij zag hoe zijn paleis was verwoest. Hij had maanden gezwoegd om het te bouwen, en nu was het binnen een paar momenten aan gort gegaan. Hij was weggesneld om Lizzie te vinden, of Jimmy, wie dan ook naar zijn geklaag zou willen luisteren. Maar ze waren allebei verdwenen. Sommige inwoners van het Jauwland hadden Jimmy met tranen in zijn ogen de wildernis zien inrennen, en zeiden dat hij weigerde met wie dan ook te praten; en het Oceaanrijk had helemaal geen inwoners meer over, het zeeniveau was zo ver gezakt dat de stad in de zee volledig droog stond. Niemand had Lizzie gezien sinds de ramp, maar Joel liet de hoop niet los. Ze had vroeger immers op het land geleefd, dus nu moest dat toch nog steeds kunnen...?
Dagen later vond hij haar te midden van een groep vluchtelingen, maar ze was anders. Ineens was ze weer kleiner dan Joel, er was er geen spoor van haar oorsprong in de zee te bekennen en, erger dan dat alles, ze was Joel en al haar andere kennissen vergeten. Hij probeerde haar opnieuw te leren kennen, hun relatie opnieuw op te bouwen, maar ze was niet meer de Oceaankoningin op wie hij verliefd was geworden, en uiteindelijk viel ze niet op boven de massa's vluchtelingen die Mezalea binnenstroomde. Het koninkrijk tussen de tafelbergen was er immers beter vanaf gekomen dan de meesten, hoewel het paleis nog steeds in puin lag. Eigenlijk had Joel het weer op moeten bouwen; maar wat voor zin had het, als hij het niet aan zijn vrouw kon laten zien, niet kon kijken naar het ontzag op het gezicht van zijn beste vriend?
Dus koning Joel stopte met bouwen. Hij stopte met andere rijken bezoeken (want wat voor zin had het? Alles was toch verwoest), hij stopte met de bevolking van zijn eigen rijk te spreken, en uiteindelijk stopte hij helemaal op de wereld om hem heen te letten. De Moederboom stierf af, verstikt door de ongecontroleerde menigten eromheen, en één voor één verloren alle Mezaleanen hun levenskracht. Mezalea werd een land van gevallen torens en stille standbeelden, die langzaam door zand bedekt werden.
Daar lag de koning van Mezalea. Zijn kleien lichaam had geen lucht nodig; langzaam maar zeker werd zijn wereld teruggebracht naar niets dan het zand dat zijn lichaam bedekte en zijn eigen gedachten. Hij had nooit lang de dood ervaren; hij kon altijd respawnen, altijd een ander Mezaleaans lichaam vinden om in herboren te worden. Maar nu, terwijl hij in de ruïnes van zijn oude trots lag, bleef hij alleen met zijn gedachten.
Dit moest wel de dood zijn.
…
……
…………
Er trok een pijnscheut door zijn arm heen.
Joel voelde zich versuft, alsof hij uit een diepe slaap ontwaakte. Hij had niets anders dan het zand tegen zijn lichaam en de trillingen van de aarde gevoeld, de afgelopen... jaren? Decennia? Minstens een decennium, dacht hij. Maar nu voelde hij iets tegen zijn arm, en het zand verschoof om hem heen, en... hoorde hij nou een stem?
Opeens werd het zand van zijn hoofd weggehaald. Hij werd even verblind door het zonlicht dat zijn gezicht overspoelde. Toen zijn ogen aan het licht waren aangepast, was het eerste dat hij zag een bekend gezicht; hij werd opgegraven door niemand minder dan koning Pixlriffs, die er niet echt uit zag als een koning maar meer als iemand die voor de lol bij ruïnes gaat rondsnuffelen. Hij was druk iets in een schrift aan het opschrijven, en mompelde bij zichzelf:
“...is een geweldige ontdekking. Het lijkt erop dat de god Joel ook in de oudheid al hier was, en dusdanig veel invloed had dat er standbeelden van hem gemaakt werden...”
Pix herkende hem dus ook, hoewel hij onzinnige dingen aan het zeggen was. Hij leek ook niet te merken dat Joel hem kon horen. Joel probeerde op te staan, maar dat lukte bepaald niet; hij was onder de borst nog steeds met zandsteen bedekt, en bovendien had hij al minstens een eeuw niet bewogen. Oké, kleine stapjes: eerst praten.
“...Pix?”
