Actions

Work Header

The pallid youth

Work Text:

The pallid youth 


‘Tis evening. At the western shore
Sinks, shining bright, like golden ore,
The sun, as if a bow to take.
In the waters of the gentle lake,
That colours all shades scarlet red,
And like a blushing newlywed,
Welcomes the sun into its bed. 

‘Tis evening. Through the heather sharp
Like notes plucked from Aeolus’ harp,
Now sighs the breeze, and kisses sweet
Each sleeping flower it may meet.
The songs of nightingale and thrush
Now in the tops of trees do hush,
As do the crickets in the underbrush.

‘Tis evening. By the quiet lake
A pallid youth his seat did take.
Dark eyes on the western sky,
Where the sun’s last rays still lie.
Now from those eyes cold tears depart,
As he with suf’ring grief does smart,
A grief, – to break a young man’s heart.

‘Tis night. Already drowned in dark
Is the sun’s last fiery spark.
Darkness now, deep as the grave
Spreads itself across field and wave.
Only rustling leaves now fill the air
And the murmur of the waters there -
Yet straight ahead the youth does stare.

‘Tis morn. A purest rosy hue
Paints in the east the dawn anew.
Rose colours silver, melts to gold,
Into a golden sea that cannot hold
The scarlet fire of the sun, escaping,
Rising ‘gainst the sky’s velvet draping,
In purple the mists of morning shaping.

‘Tis morning. By the quiet lake,
Still on the spot the youth did take,
Pale features gaze, turned to the west,
But blind now to the light so blessed.
To the flowers, in their bloom employed.
Once flowing hot, now cold and void
Is the youth’s red blood. – His heart destroyed.

 


  

Original text (source):

 

De bleeke jongeling


't Avondt. Aan de westertrans
Zinkt, in goud gehuld en glans,
Statig 't zonnelicht ter neer
In den schoot van 't wieglend meer,
Dat, als 't bloosde van verlangen,
Om het in zijn bed te ontvangen,
Inkarnaat voelt gloeien op zijn wangen.

't Avondt. Door het heidekruid
Suist als aeoolsharpgeluid
't Windeken en kust zoo zacht
Al de bloempjes goedennacht.
't Orgelend lied der vooglenkelen
Zwijgt in 't loover der abeelen,
't Sjirpend krekeltjen in de struweelen.

't Avondt. Aan den zoom van't meer
Zit een bleeke jongeling neer.
't Donker oog, naar 't west gericht,
Volgt het scheidend zonnelicht.
Tranen aan dat oog ontleken,
Die van grievend lijden spreken,
Lijden, – dat een jongelingshart doet breken.

't Nacht. En lange reeds verdronk
Ook de laatste zonnevonk.
Duisternis als van het graf
Daalde op meer en velden af.
Slechts het suizen van de blaren
Hoort men en 't geruisch der baren. -
Immer blijft de jongeling voor zich staren.

't Morgent. En een maagdlijk blond
Verft in 't oost den horizont.
't Blond verzilvert. 't Zilver smelt
Tot een goudzee. Trotsch ontsnelt
't Vlammend zonvuur aan de kimmen.
Damp en nevelen verglimmen
Straks tot purper bij zijn opwaartsklimmen.

't Morgent. Aan den zoom van 't meer
Zit nog steeds de jongeling neer,
't Bleek gelaat naar 't west gericht.
Maar zijn oog is blind voor 't licht,
Voor de bloemen, weer ontloken.
Opgehouden heeft te koken
's Jongelings bloed. – Zijn harte was gebroken.