Actions

Work Header

Crazy For Love Dutch Translation/Nederlandse Vertaling

Chapter Text

Hoofdstuk 1: De Prins

Het begint met vijf woorden.

“Is mijn vader echt dood?”

Of misschien is dat hoe het eindigt.

In ieder geval, het is wanneer hij deze vijf woorden hoort dat het Sherlock daagt: de man die naast hem ligt is, inderdaad, dood. Niet een vreselijk moeilijk feit om vast te stellen; Sherlocks handen waren seconden geleden tenslotte nog op zijn schedel, en de barst van zijn gebroken nek galmde door elk van Sherlocks vingers, door zijn armen, zijn hele lichaam. Of misschien is het de pijn van het geweerschot dat hem nog steeds doorboort. Misschien vertraagt diezelfde pijn zijn hersenen, waardoor het onmiskenbare moeilijk te herkennen is.

Sherlock sluit zijn ogen, focust zijn gedachten totdat de pijn niets meer is dan een doffe echo in zijn zij, en zet dan de belangrijkste feiten op een rijtje.

Feit #1. Sebastian Moran – de laatste van Moriarty’s huurmoordenaars, het allerlaatste onderdeel van zijn gevallen imperium – is dood.

Feit #2. Sherlock is gewond, maar niet zo erg dat zijn leven in gevaar is. Waarschijnlijk kan hij zichzelf wel oplappen. Hij is er aardig goed in geworden de afgelopen drie jaar.

Feit #3. Sherlock hoeft zichzelf helemaal niet op te knappen. Hij kan naar een ziekenhuis gaan. Of zelfs hulp vragen aan een vriend die vertrouwd is met de kunst van het verplegen van schotwonden. Hij kan het doen. Het is voorbij nu. Hij hoeft zichzelf niet meer te verschuilen.

Feit #4. Om twee uur ‘s nachts op Johns deur kloppen na drie jaar doen alsof hij dood is, onder het bloed en met kneuzingen die al zichtbaar zijn – en niet te vergeten een schotwond in zijn zij – is misschien niet het slimste wat hij nu kan doen. Misschien moet Sherlock er eerst wat beter uitzien.

Feit #5. Er kijkt een kind op hem neer. Waarschijnlijk hetzelfde kind dat vroeg of zijn vader dood was. Dat is… tamelijk onverwacht. En lastig.

Sherlock was meedogenloos terwijl hij zijn prooi volgde door Europa, Thailand, Brazilië – en uiteindelijk terug naar Londen. Hij is met vele mannen en meer dan een paar vrouwen – die duidelijk niet aan de kant van de engelen stonden – de confrontatie aangegaan. Maar de donkerharige jongen die over de rand van de tussenverdieping recht boven hem naar beneden kijkt is het eerste kind dat hij is tegengekomen. En blijkbaar heeft Sherlock recht voor zijn ogen zijn vader vermoord.

Beetje niet goed, Sherlock.

Hij schudt onwillekeurig zijn hoofd door de bekende echo van de herinnering. Hij heeft het vaker gehoord sinds die dag bij Barts toen hij voor het laatst Johns stem hoorde. Het is wel valer genoeg geweest om Sherlocks plannen te wijzigen. Alleen nu is er niet veel wat hij kan veranderen.

“Heb je me gehoord?” vraagt het kind, nu fronsend. “Heb je een hersenschudding? Is dat waarom je niet antwoordt? Hij heeft je nogal hard op je hoofd geslagen. Hij sloeg altijd nogal hard.”

Sherlock onderdrukt een kreun, gaat zitten en vervolgens staan. Hij kijkt behoedzaam omhoog. Van waar hij is kan hij niet veel meer zien dan het gezicht van de jongen: hij ligt op de vloer, zijn armen tegen de rand van de tussenverdieping, ogen helder terwijl hij Sherlock observeert. Hij kan niet veel ouder zijn dan… tien? Elf, misschien?

“Hij is dood, ja,” zegt Sherlock kalm, zijn blik afwisselend op Moran en het kind.

Hij ziet niet veel overeenkomsten tussen de twee. Het is moeilijk te geloven dat ze verwant aan elkaar zijn. Fysionomie komt niet altijd van pas in zaken van afkomst, maar—

“Ik bedoelde niet Sebastian.” Het kind rolt met zijn ogen. “Ik kan overduidelijk zien dat hij dood is. De hoek van zijn nek maakt het tamelijk duidelijk. Ik vroeg naar mijn vader.”

Sherlock is er niet aan gewend dat er tegen hem gepraat wordt alsof hij uitzonderlijk traag van gedachten is. Hij is er ook niet aan gewend om zijn nek te moeten verrekken om naar mensen te kijken. Hij vindt beide niet echt aangenaam. Terwijl hij onder zijn jas een hand in zijn zij drukt loopt hij naar de ladder die naar de tussenverdieping leidt.

“Aangezien ik geen idee heb wie je bent,” zegt hij terwijl hij klimt, “is het enigszins moeilijk voor mij om een uitspraak te doen over de gezondheid van je familieleden.”

Tegen de tijd dat Sherlock de top bereikt, zit het kind op de vloer, in kleermakerszit maar met een erg rechte rug, beide handen om één enkel. Zijn spijkerbroek is te kort, laat huid zien tussen de zoom en de kapotte sokken; er zijn oude kneuzingen zichtbaar die al geel aan het worden zijn. Zijn trui, daarentegen, is te groot en valt over zijn polsen en verbergt zijn lichaam.

Hij fronst weer, dieper dan eerst. “Begrijp je nog steeds niet wie ik ben?” Hij klinkt bijna teleurgesteld. “Vader zei dat je de slimste man was die hij kende. Hoe kun je niet weten wie ik ben? Ik zie er zelfs uit als hem. Sebastian zei altijd dat dat zo was.”

Irritatie flakkert door Sherlock: irritatie dat zijn intellect wordt uitgedaagd door een kind, irritatie dat hij inderdaad niet beseft wat blijkbaar zo duidelijk zou moeten zijn – en dan irritatie dat het dat het hem zo lang duurde om uit te vinden als hij het eindelijk snapt.

“Ja,” zegt hij scherp. “Je vader is dood.”

Het kind reageert met niets meer dan wat geknipper met zijn ogen. Al snel vraagt hij: “Weet je het zeker? Sebastian zei dat je erbij was. Is dat zo? Heb jij het gedaan? Hij wou niet zeggen hoe Vader is gestorven dus ik dacht dat hij misschien deed alsof. Net als jij. Sebastian wist niet dat je deed alsof maar ik dacht dat het zo was.”

“Ik was erbij,” zegt Sherlock. “Ik heb het niet gedaan. En ja, ik weet het zeker.”

Hij staat op het punt om uit te leggen dat hij duidelijk zicht had op Moriarty toen hij het pistool in zijn eigen mond stak en de trekker overhaalde, maar de echo-herinnering van Johns stem stopt hem. Niet goed? Waarom niet? Het kind vroeg ernaar. De waarheid is, zoals meestal, het best. Het heeft weinig nut om dingen voor hem te verbergen.

En toch gaat Sherlock er niet op door. In plaats daarvan kijkt hij met milde nieuwsgierigheid toe hoe de gespannen schouders van het kind een beetje ontspannen, alsof hij opgelucht is, en hij ademt een zacht, “Oh, goed. Het is goed om dat zeker te weten.”

Het is… niet de reactie die Sherlock verwacht zou hebben als hij de tijd had genomen om iets te verwachten.

Het kind staat stil en steekt zijn hand uit naar Sherlock.

“Mijn naam is James,” zegt hij ernstig. “Aangenaam kennis te maken, Mr. Holmes. Ik heb veel over u gehoord.”

Er komt een nieuwe flits van herinneringen boven. Moriarty hield, op het dak voordat hij zichzelf neerschoot, zijn hand uit naar Sherlock. Sherlock aarzelt, zijn ogen scannen de gestalte van het kind voor een wapen. Behoedzaam geeft hij eindelijk zijn hand, en herinnert zich halverwege dat die onder het bloed zit. Het lijkt het kind niets uit te maken; hij pakt Sherlocks hand vast en schudt hem nadrukkelijk, alsof hij het ooit gezien heeft maar nog nooit zelf heeft gedaan.

“Je bloedt,” zegt hij, en hij laat Sherlocks hand los om naar het opdrogende bloed te kijken, dat is overgebracht naar zijn eigen handpalm. “Ik kan helpen.”

En alweer, áls Sherlock al iets verwacht had, dit was het niet. Terwijl hij kijkt hoe James naar het enige meubelstuk op de tussenverdieping snelt – een bed – en ernaast knielt, brengt hij een hand naar de achterkant van zijn hoofd. Hij huivert als hij vindt wat hij zoekt. Er is een duidelijke bult, en ook wat gedroogd bloed. Heeft hij een hersenschudding, zoals James suggereerde? Het zou zeker verklaren waarom hij zich zo sloom voelt nu.

Het is dat óf drie jaar zonder zijn brein uit te zetten beginnen hun tol te eisen.

James heeft een kinderformaat handkoffertje van onder het bed vandaan gehaald en zet het op de verkreukelde dekens. Hij klapt de bovenkant open. Voor zover Sherlock kan zien zit er niet veel in: een hoekje van een boek is zichtbaar onder netjes opgevouwen kleren. De helft van de ruimte wordt in beslag genomen door een witte trommel met een rood kruis op de zijkant. Dat is wat James eruit haalt.

“Ik heb niet veel ervaring met hechtingen,” zegt hij, “maar ik ben heel goed in wonden poetsen. En verbanden kan ik ook.”

“Wonden reinigen,” zegt Sherlock afwezig, terwijl hij toekijkt hoe kleine handen bezig zijn met een tube watervrij bacterieel schuim. “Niet poetsen. Reinigen.”

James verstijft. Voor een volle drie hartslagen blijft hij volledig stilzitten, en zegt dan met een klein stemmetje, “Ja, meneer. Ik ben heel goed in wonden reinigen.”

Hij beweegt nog steeds niet, zijn ademhaling oppervlakkig en onhoorbaar, alsof hij door onbeweeglijk en stil te zijn nagenoeg onzichtbaar kan worden. Sherlock grimast. Het verklaart waarom James een EHBO-set heeft, en vermoedelijk waarom hij zo goed is in het toedienen van hulp. Oefenen op jezelf neigt inderdaad een uitstekende drijfveer te zijn om beter te worden, zoals Sherlock ook geleerd had.

Iets zeggen? Wat dan? Afgezien van één noemenswaardige uitzondering hebben mensen het nooit gewaardeerd als hij liet merken dat hij iets belangrijks en persoonlijks over hen wist. Hij kan zich niet voorstellen dat dit anders is voor een kind.

“Ik weet zeker dat je vaardigheden uitstekend zijn voor iemand van jouw leeftijd,” zegt hij terwijl hij wegdraait, “maar ik zorg er zelf wel voor.”

Hij klimt de ladder weer af. Terug naar de begane grond van wat ooit een fabriek was maar wat nu is omgezet in de woonruimten voor criminelen op de vlucht, kijkt hij even kort naar het lichaam en haalt dan de wegwerptelefoon uit zijn leren jas. Hij zal blij zijn als hij weer een apparaat heeft waarop typen niet zo vervelend is. En hij zal blij zijn als hij weer een fatsoenlijke jas aankan.

Sowieso blij om weer terug te keren naar zijn leven.

Het is volbracht.

Hij twijfelt voordat hij op versturen drukt, en hij voegt, voor de eerste keer in drie jaar, twee letters toe aan het bericht. Ze zijn even overbodig als altijd, maar het is nog steeds merkwaardig aangenaam om ze op het scherm te zien.

SH

Terwijl hij op een antwoord wacht dat niet lang zou moeten duren ongeacht het tijdstip, maakt een geluid achter hem dat hij zich omdraait. James komt naar beneden, zijn tempo nauwelijks gehinderd door de koffer die hij in een van zijn handen draagt. Het is duidelijk dat hij dit eerder heeft gedaan.

“Waar ga je heen?” vraagt hij als James de grond bereikt.

James draagt nu witte sneakers en een losgeritste parka over zijn trui, en kijkt Sherlock verbaasd aan. “Nou, met jou mee,” zegt hij alsof dat het meest vanzelfsprekende in de wereld is.

“Nee, dat ga je niet. Wie zorgt er voor je?”

James’ opgetrokken wenkbrauwen richten zich betekenisvol naar Morans lichaam. Sherlock rolt met zijn ogen.

“Behalve hem. Heb je een kinderjuf? Babysitter? Hij wil zeggen ‘ouders’ maar hij kent de helft van het antwoord op die vraag en corrigeert, “Een moeder?”

James haalt zijn schouders op. “Sebastian zou het helemaal niet leuk vinden als je hem kinderjuf of babysitter noemde. En ik ga ervan uit dat ik een moeder heb, ja. Iedereen heeft toch een moeder?”

Door de toon van zijn stem is het duidelijk dat hij de vrouw die van hem bevallen is nooit ontmoet heeft. Sherlock wil vragen of hij iets over haar weet als zijn telefoon gaat. Geen bericht, maar zowaar een oproep. Hij is niet verrast.

“Mycroft,” zegt hij als hij opneemt.

“Sherlock,” zegt Mycroft aan de andere kant van de lijn. “Je hebt de tijd genomen.”

Een wrange glimlach trekt aan Sherlocks lippen. Als het kon zou hij alles geheim hebben gehouden voor zijn broer, maar helaas had hij Mycrofts assistentie al na een paar weken nodig. Sindsdien heeft Mycroft, elke keer dat ze contact hebben, aangeboden het proces te versnellen – en elke keer heeft Sherlock geweigerd.

“Hebben we het hier al niet eerder over gehad?” zegt hij met een zucht. “Ik moest dit zelf doen.”

“Nee, je wou het zelf doen. Er is een verschil.”

“Laten we het er over eens zijn dat we het hier oneens over zijn. Niet dat het nu nog uitmaakt.”

In gedachten ziet hij Mycroft licht zijn hoofd buigen als hij toegeeft aan de argumentering.

“We hebben je locatie,” zegt Mycroft. “Er zijn mensen onderweg. Ik ga ervan uit dat je iemand nodig hebt om op te ruimen?”

“Eén lichaam maar, en…”

Sherlocks ogen vallen op James, die naar het gesprek luistert met één hand zo strak op de handgreep van zijn koffer geklemd dat zijn knokkels wit zijn. Zijn andere hand is bij zijn mond, en hij kwelt zijn duimnagel met zijn tanden. Als hij Sherlock ziet kijken, verbleekt hij en laat hij zijn hand naar zijn zij zakken.

“En wat?” vraagt Mycroft scherp. “Ben je gewond? Heb je—“

“Met mij is het goed,” onderbreekt Sherlock. “Alhoewel, als je zo aardig zou willen zijn om me terug tot leven te brengen zou dat dingen zeker makkelijker maken.”

Hij neemt niet de moeite om Mycroft te herinneren aan de rol die hij speelde in het beginnen van deze zooi. Hij weet zeker dat zijn broer zich goed herinnert dat hij bij Sherlock in de schuld staat. Uiteindelijk zal Mycroft vinden dat zijn schuld volledig afbetaald is, maar tot dan is Sherlock van plan om optimaal te profiteren van zijn schuldgevoel.

“Tegen de middag zal het klaar zijn. Stuur me maar een bericht met het adres waar je het wil hebben.”

“Zal ik doen.”

Als Sherlock ophangt en de telefoon in zijn zak doet, wordt hij overvallen door een vlaag van twijfel – als hij nu aan zichzelf twijfelt is dat zeker weten een nieuw punt op zijn checklist voor mogelijke hersenschudding.

Hij zou het kind hier achter moeten laten zodat Mycrofts mensen het kunnen afhandelen. Zij kunnen waarschijnlijk wel uitzoeken of hij levende familieleden heeft, en hem terugsturen naar hen of hem ergens plaatsen. Aan de andere kant, dit is niet zomaar een kind. Het is Moriarty’s kind. Sherlock had veel vragen, en zelfs het ontmantelen van het imperium van de man heeft hem niet alle antwoorden opgeleverd. En per slot, als James met hem mee wil… waarom niet? Als Moriarty hem ‘alles’ over Sherlock heeft verteld, wat heeft hij dan nog meer verteld? En hoeveel zal het kind zich herinneren drie jaar na zijn vaders dood?

“Je moet weten dat ik geen geduldig persoon ben,” zegt hij, terwijl hij James aandachtig bestudeert. “Ik zal geen achterlijke vragen beantwoorden. Soms heb ik complete stilte nodig. Ik weet niets van kinderen. Ik kook niet. Ik vergeet waarschijnlijk dat je behoeften hebt dus je zult voor jezelf moeten zorgen. Ik kom en ga op allerlei tijdstippen, en aangezien ik een kind niet alleen in de buurt van mijn experimenten ga laten, zul je waar dan ook met me mee moeten komen totdat ik een babysitter kan regelen.”

In zijn achterhoofd weet hij al zeker dat Mevr. Hudson het kind zal gaan verwennen. Maar nee, James zal niet zo lang bij hem blijven. Het zal slechts een paar dagen zijn, net lang genoeg om een paar antwoorden te krijgen.

“Betekent dat dat ik met je mee mag?” vraagt James, een beetje enthousiast. Zijn lippen trekken, hoewel hij niet glimlacht. Zijn ogen zijn een beetje groter, een beetje helderder. Hoe slecht is het echt voor hem geweest, dat hij zo blij was om te vertrekken met de persoon die net zijn verzorger heeft vermoord?

Sherlock laat een diepe zucht ontsnappen. “Ik denk het. We kunnen beter gaan voordat Mycrofts mensen hier aankomen.”

Hij gaat richting de uitgang. James rent om de achterstand in te halen, zijn koffer stuitert op zijn wieltjes achter hem.

“Vader was ooit weg voor een lange tijd,” zegt hij. “Toen hij terugkwam vertelde hij over je broer.” En dan, na een pauze. “Weet je zeker dat hij dood is? Misschien heeft je broer hem weer in een kooi.”

Het interessante hapje wordt opgeslagen voor later. Het is niet zo dat het Sherlock uitmaakt wat een dode man ooit over zijn broer zei, maar hij is nieuwsgierig. Voorlopig kijkt hij alleen maar even neer op James.

“Dit is nog iets dat je moet weten,” zegt hij. “Ik houd er niet van om mezelf te herhalen. Je hebt me al gevraagd of ik het zeker weet en ik heb al antwoord gegeven, toch?”

James kijkt naar zijn voeten en raakt wat achterop. Sherlock laat hem. Ze bereiken de straat. Het is stil en verlaten, met weinig dat erop wijst dat, slechts drie straten verder, het hart van Londen zo snel en luid slaat als het altijd heeft gedaan. In zijn hoofd werkt hij de weg terug naar zijn flat uit, de pijn die uitstraalt vanuit zijn zij in achting nemend, de korte beentjes achter hem die vijf stappen nodig hebben voor elke twee van hem en de noodzaak om verborgen te blijven… en dan daagt het hem weer. Die noodzaak is weg. Hij kan de eerste de beste taxi nemen. Oh, hij heeft taxi’s gemist… Zo’n klein iets, en toch…

Fronsend kijkt hij achterom. Drie stappen voor elk van hem, nu; blijkbaar rolt de koffer niet zo goed op de oneven stoeptegels.

“Geef het aan mij,” eist hij, en hij steekt zijn hand uit.

James’ ogen worden een beetje groter. “Het is goed,” zegt hij snel. “Ik kan het dragen. Ik beloof het, het is helemaal niet zwaar.”

Er is iets, een angst die Sherlock in een seconde zou ontleden als hij niet zo dodelijk vermoeid was. En moe is hij zeker, en ongeduldig om naar huis te gaan.

“Kom op. Je loopt sneller als je dat ding niet achter je aan hoeft te slepen.”

James’ kaak spant zich zichtbaar. Hij slikt hard, mompelt een zacht, “Ja, meneer,” en begint het handvat richting Sherlock te duwen. Hij laat alleen niet los, en vraagt met een net zo zachte stem, “Mag ik het boek eruit halen? Het is… Ik heb het nog niet uit. Ik beloof dat ik dat ook weg zal gooien als ik klaar ben.”

Sherlock fronst. Waarom is de helft van alles wat de jongen uitkraamt een raadsel? Hij heeft nooit van raadsels gehouden. Nog steeds heeft hij niet geleerd van ze te houden.

“Waarom zou je…”

En dan snapt hij het. God hij is langzaam vannacht. Verschrikkelijk.

“Ik vraag om je koffer zodat ik hem voor je kan dragen,” zegt hij rustig. “Ik ben moe, ik wil naar huis, de koffer vertraagt je, het is logisch dat ik hem voor je draag zodat je sneller kunt lopen.”

Er flikkert iets in James’ ogen; ongeloof, misschien? Verwarring? Eindelijk laat hij het handvat los. Sherlock duwt het naar beneden, zet het vast, draait de koffer op zijn zij en pakt het tweede handvat vast. Als hij weer begint te lopen, loopt James sneller en hij blijft naast hem.

Hij heeft hem open gezien, dus Sherlock weet dat er niet veel inzit, maar toch voelt de koffer uitzonderlijk licht. Een beperkt aantal bezittingen, snel ingepakt wanneer nodig. James’ zekerheid dat ze weggenomen worden als ze hinderlijk zijn. Zijn acceptatie van dat feit… Het is eenvoudig om te concluderen dat James eerder van plek naar plek gesleept werd, en dat hij door schade en schande heeft geleerd dat te langzaam zijn consequenties heeft.

“Welk boek is het?” vraagt Sherlock als ze verder de straat uitlopen; de lichten zijn al helderder, het geluid van het verkeer zwelt aan, hoe laat het ook is.

“Pardon?” vraagt James.

“Welk boek heb je nog niet uit?”

“Oh. Il Principe van—“

“Machiavelli,” maakt Sherlock bedachtzaam af. “Hoe oud ben je?”

“Twaalf, meneer.”

Twaalf. En Machiavelli aan het lezen. Interessant.

“In het Italiaans?”

“Ja, meneer.”

Er interessant.

Als ze bij een drukke straat aankomen, merkt Sherlock tot zijn voldoening dat zijn talent om taxi’s aan te roepen nog steeds intact is. Hij klimt erin, James direct achter hem.

“Wie heeft dat boek voor je uitgekozen?” vraagt Sherlock nadat hij het adres aan de taxichauffeur heeft gegeven. Hij zei bijna Baker Street. Nog niet, maar het zal niet lang meer duren.

“Er is een lijst met alle boeken die ik mag lezen. Sebastian had die.”

Sherlock knikt afwezig. Een lijst opgesteld door Moriarty, klaarblijkelijk. En natuurlijk staat De Prins erop.

“Aangezien er nu geen lijst meer is,” vraagt James na een paar seconden, “betekent dat dat ik nu ook andere boeken kan lezen?”

Sherlocks gedachten dwalen af naar zijn boekenverzameling. De Prins zit erbij, natuurlijk – in Engels, niet Italiaans. Er zijn een paar andere boeken die geschikt zouden kunnen zijn voor een twaalfjarige. Het enige probleem met die boeken is dat ze momenteel opgeslagen staan, samen met de rest van Sherlocks bezittingen, onder Mycrofts hoede.

“Ik zie niet in waarom niet,” zegt hij afwezig als antwoord op James’ vraag.

“Dankuwel, meneer.”

Het vuur in die woorden verrast Sherlock, vooral omdat hij James nauwelijks toegang heeft beloofd tot nieuwe literatuur, hij heeft alleen gezegd dat hij niet tegen het idee was. Hij werpt een korte blik op het kind en ziet dat hij glimlacht. Van wat hij zich herinnert over normale twaalfjarigen, van de eindeloze dagen waar hij op school moest zitten en sterven van verveling, is dat de tieners meestal niet zo enthousiast zijn bij de gedachte van lezen. Aan de andere kant, niemand van zijn leeftijdsgenoten vond een boek met politieke verhandelingen in een buitenlandse taal zo leuk dat ze smeekten om het te mogen uitlezen.

“’Meneer’ is niet nodig. Je kunt me Sherlock noemen.”

“Ja meneer,” zegt James prompt, en grimast dan. “Ik bedoel, Sherlock. Sorry meneer. Sherlock.”

Sherlock draait zijn gezicht naar het raam om een glimlach te verbergen. Het is een tijdje geleden sinds hij een taxi met iemand heeft gedeeld. Hij zou er zo weer aan kunnen wennen.